Rotterdam, 1944. Razzia.
Antwoord op de vraag van mijn zoon over wat ik weet van zijn opa en overgrootvader
Wijk Hillesluis, Rotterdam zuid, werd in 1944 afgezet door de Duitsers. Jouw opa woonde bij zijn ouders in de Riederstraat nr 40, iedereen moest het huis uit, naar buiten.
De Duitsers gingen woning voor woning binnen waar ze bijna letterlijk overal keken, ook in de kruipruimtes onder de woningen.
Ze gingen er zelf niet helemaal onder, maar hier en daar schoten ze met hun wapens onder de vloer. Soms met resultaat...
Alle mannen van 16 tot 40 jaar moesten mee.
Opa, krap 20 jaar, zijn broer Cees, 17 jaar, en hun vader Hendrikus moesten ook mee, hoewel een, volgens opa, vriendelijke jonge soldaat ongeveer zo oud als hij zelf was, tegen zijn vader zei ’U kunt hier blijven bij uw gezin, u bent 39 jaar, net geen 40 en dus te oud’, met een knipoog. ‘
Vader was koppig, wilde zijn zoons niet alleen mee laten gaan en bleef stug staan. Ze mochten wat kleding halen onder begeleiding van de soldaat die, volgens oma, beleefd was en zelfs zijn schoenen op de mat veegde.
Opa heeft op een kladje nog snel een briefje naar Oma, zijn meisje toen nog, geschreven, datzelfde briefje heb ik in een doos, door oma al die jaren bewaard. Ik heb ook nog één kaart van opa aan je oma, heel klein geschreven om alles erop te kunnen schrijven. Ik weet niet waar ze in Duitsland verbleven, dat staat op de kaart. Moet ik weer opzoeken.
In colonne werden de mannen naar de haven gebracht waar ze Rijnaken in werden gestuurd die hen via de Lek en IJssel naar Kampen bracht alwaar ze verder over land, voor zover ik weet, per trein naar Duitsland werden gebracht.
De broer van opa werd aan boord van de aak in Kampen ziek, hij mocht terug naar huis.
Hoe zijn terugreis is gegaan weet ik niet, hij is wel terug thuisgekomen.
In Duitsland werden ze, niet iedereen, maar wel opa en zijn vader, ondergebracht in grote barakken met stapelbedden op een spoorwegemplacement.
De mensen kregen redelijk goed te eten, maar moesten hard werken overdag. S ‘Nachts werd er niet gewerkt omdat er geen verlichting mocht zijn omdat dan Engelse bommenwerpers de boel makkelijk plat konden bombarderen.
Opa en zijn vader moesten kachels in wagons installeren. Ergens heeft opa een Duitser boos gemaakt doordat hij wat verkeert deed in de ogen van de soldaat. De kolen/hout-kachel-rook afvoer moest zo gemaakt worden dat er geen vonken door konden, daar ging iets mis. Hij dreigde opa neer te schieten, maar zijn vader ging tussen hen in staan, en met behulp van een, volgens opa, aardige oudere soldaat die de boel suste, liep het goed af. Ze hadden meer vrijheid als Nederlander zijnde omdat de Duitsers Nederlanders meer zagen als ‘eigen’ volk. Van ‘Dietschen bloed’ volgens het Nederlandse volkslied. (Wat niet helemaal klopt, Dietsch betekende Nederlands)
Ze mochten door de stad lopen zonder toezicht, kregen van bewoners voedselbonnen. Niet openlijk, maar een beetje steels.
Over het algemeen waren de Duitse burgers vriendelijk, ze hadden ook een hekel aan de oorlog, ze verloren ook hun kinderen, hadden ook leed. Sommige soldaten konden fanatiek zijn, vele niet.
Na de oorlog zijn ze lopend en deels liftend weer terug thuisgekomen.
Ik weet er verder niets van, opa vertelde weinig over die tijd, zijn vader ook niet.
Tot jaren na de oorlog hebben ze, en vele anderen, een hekel gehad aan die ‘rot moffen’.
Toen ik in mijn jonge jaren Claudia, een leuk Duits meisje, tegen kwam en dit thuis vertelde, vond opa dat niet echt leuk, maar zei er verder niets van. Hij was best een beetje opgelucht dat het niets is geworden kon ik merken.